IEDERE STAP LEIDT VANZELF NAAR DE VOLGENDE Autuer: Hanneke Koolen Hoe ben je begonnen met tapdansen? Mijn eerste ontmoeting met tap was een filmpje van Fred Astaire dat ik zag toen ik dertien jaar oud was. Ik vond het verschrikkelijk en heb de televisie meteen uitgezet. Dat was niet hip, ik zag daar helemaal niets in. Toen ik jaren later Rechten studeerde in Utrecht las ik in de cursuskrant van cultureel centrum Parnassos over de taplessen van Peter Kuit: 'je voeten als instrument', 'muziek maken', 'improvisatie'. Die tekst sloeg bij mij in als een bom. Mijn hele leven speelde ik allerlei instrumenten, maar niets beklijfde. Tijdens die eerste taples wist ik het meteen: dit voelt heel goed. Ik had mijn instrument gevonden. Wat spreekt je aan in tap? Je belichaamt als tapdanser het geluid en die fysieke connectie geeft een heel goed, soms zelfs euforisch gevoel. Ik ben best lui, maar wanneer ik tap ben ik reuze actief en niet bang om tot het naadje te gaan. Wat me ook erg aanspreekt, is de unieke, geïsoleerde positie van tap in Nederland. Er is geen traditie, geen tapcircuit of 'fonds voor de tapdanser'. Om te overleven moet je creatief zijn en initiatief nemen of aanhaken bij bestaande projecten, groepen of bij een componist. Zo kom je in een heleboel verschillende genres terecht. Je hebt alle ruimte om jezelf en het tapdansen vorm te geven. En dat vind ik eigenlijk wel heel gaaf. Ben je muzikant of danser? Daar is geen éénduidig antwoord op te geven, je bent beide. Tap heeft in de danswereld een uitzonderingspositie. Dansfondsen reageren op aanvragen met: 'nee, tap doen we niet'. Dat komt denk ik omdat tapdans wordt vooral gezien als entertainment en niet als kunst. Bovendien kent de rhythm tap geen specifieke lichaamstaal zoals Ierse dans of flamenco dat bijvoorbeeld wel kennen. Als tapdanser focus ik me vooral op het ritme, maar ik heb wel steeds meer aandacht gekregen voor het visuele. Je kunt het niet negeren en dus maar beter gebruiken. Toch blijft de beweging altijd gebonden aan de noodzaak een geluid voort te brengen. Ik vind het trouwens ook heel mooi, wanneer je mij alleen hoort en niet ziet. Dat maakt dat mensen heel anders luisteren. Kijken kan namelijk afleiden. En wanneer je je ogen sluit, voel je nog steeds dat tap fysiek is. Hoe kijkt de muziekwereld tegen jou aan? Vaak is er verbazing bij een eerste samenwerking, maar de reacties zijn altijd positief. Ik heb hard gewerkt om muzikale bagage bij elkaar te sprokkelen, want met alleen taptechniek ben je nog geen muzikant. De improvisatiemuziek-workshops van bassist Arnold Doyeweerd in het Bimhuis hebben me erg geholpen. Hij heeft me het zelfvertrouwen gegeven om op muzikanten af te stappen met het besef dat ik iets kan toevoegen. Kijk, tijdens een taples draait de muziek op cd gewoon door, hoeveel fouten je ook maakt. Er is geen interactie. Maar wanneer je met muzikanten speelt, heeft hetgeen je doet direct invloed. Je moet ritmisch op eigen benen kunnen staan, een eigen stem vinden waar muzikanten op gaan vertrouwen. Ben je te vergelijken met een drummer? Als tapdanser speel je ééndimensionaal, niet polyritmisch. Het lijkt meer op een percussionist met één trommel. Tap is bovendien niet automatisch geschikt om heel lang een groove vast te houden. Het kan wel, maar daar moet je lang voor trainen. Ik vervul in groepen afwisselend de rol van drummer en solist. Maar tap is voor mij in de eerste plaats verhalend. Welke muziekstijl of welk ritme ligt jou het beste? Ik heb twee favoriete dingen. Eén is: beuken in vieren, op rechte zestienden. Het andere is precies het tegenovergestelde, namelijk zonder ritme: rubato tappen waarbij je een geluidscollage of -verhaal maakt. Wat is je meest memorabele tapmoment? Dat was de eerste keer dat ik met een symfonieorkest het Concerto for Tapdancer and Orchestra van Morton Gould repeteerde. Ik had enkel de tappartituur gekregen en zelf een opname en de orkestpartituur geregeld, want anders viel er niets van te maken. Ik was natuurlijk doodzenuwachtig. Maar toen het orkest begon te spelen, vergat ik helemaal om in te zetten. Het was zó mooi. Daarna begon het ploeteren, want timen op een orkest is een vak apart. Het geluid komt van alle kanten, heel anders dan thuis oefenen met een tape en twee speakers. Er zijn overigens niet veel tappartituren. Zelf schrijf ik alleen dingen op wanneer het moet. Ik houd namelijk ontzettend van improviseren, dat is echt mijn ding. Waarom houd je zo van improvisatie? Ik vind het mooi hoe een groep mensen met een bepaalde instelling en openheid samen op een podium gaat staan, volkomen vertrouwend dat daar iets gaat gebeuren. Voor mij heeft een improvisatieconcert heel direct met het leven te maken; je weet nooit wat er uit gaat komen. En wanneer er iets bijzonders gebeurt, dan voelt iedereen dat: pure magie, ontroerend mooi. Dan worden er echt cadeautjes uitgedeeld. Maar het is ook riskant. Soms raak je het spoor bijster en denk je: 'mijn god, waar moet dit heen... ik wil hier weg!' Als je dan gaat forceren gaat het mis. Je moet juist geduld hebben en dat is moeilijk. Maar ik houd van dat risico. In een musical van Joop van den Ende is alles tot in de puntjes doordacht. Technisch zijn die mensen heel goed, maar het is veilig, zowel voor de artiesten als voor het publiek. Dan gebeurt er voor mij eigenlijk niets. Het is een misverstand dat improviseren 'gewoon gaan staan en maar wat doen' is. Het is juist een kunde. Een goede improvisator heeft een lange leerschool achter de rug. En ieder optreden is anders. Het is verleidelijk een geweldig optreden te willen herhalen, maar dat kan gewoon niet. Dat moet je ook niet willen. Je experimenteert met de toepassing van elektronica en digitale technieken. Waar komt dat uit voort? Als tapper krijg je vaak met versterking en techniek te maken en dat op zich is al een vervorming. (Marije heeft microfoontjes aan de zijkant van haar schoenen, HK). Dan is het een kleine stap naar het verder manipuleren van die geluiden. Zo kan je bijvoorbeeld een bepaalde ruimte of ondergrond suggereren. Ook kan je samples maken en daar vervolgens overheen tappen. Wel vind ik het belangrijk dat het tapgeluid herkenbaar blijft, anders kan je net zo goed met een stokje op een drumpad slaan. Het lichamelijke moet je blijven voelen. Heb je met dit alles een einddoel voor ogen? Nee, ik kan alleen de volgende stap zien. Er zijn zo veel dingen die ik wil doen, zoveel mogelijkheden. En iedere stap leidt als vanzelf naar een volgende.
|
|---|