‘ Altijd vanuit de dijen schoppen en het been ontspannen’

TAPDANSEN

‘ ik word er altijd vrolijk van, het publiek ook’
‘ ik tapte de borden uit de kast van de buurman’

tekst: maartje den breejen
bron: Het Parool, zaterdag 28 oktober 2006

Marije Nie is tapdanser. Denk nu niet meteen aan Fred Astaire in Singin’ in the rain of aan de musical 42nd Street of aan Shirley Temple.
Denk eerder aan Nie als een muzikante, die met haar voeten op de vloer drumt.
Hoor dan muziek die al improviserend tot stand komt, met steeds verschuivende ritmes en flarden van melodieën. Oké, nu kunnen we verder.


foto © 2006 Elmer van der Marel


Het is twee uur
in de middag, windstil en warm voor een herfstdag in oktober. Nie is net opgestaan. “Het is nogal laat geworden gisteren. Ik had een optreden, ” zegt ze boven aan de trap van haar etage in De Pijp. Ze loopt nog wat heen en weer tussen de keuken en de voorkamer, zet thee en belt ondertussen even met iemand. Gaat dan zitten en vertelt: “Ik was gisteren in De Badcuyp, waar ik tapte met een klassiek strijkersensemble. Geweldig was dat. Ik vind het heel leuk om met het vrolijke geluid van de taps het serieuze geluid van de strijkers te relativeren. ”
Optredens heeft ze de laatste jaren genoeg. Ze is te vinden in het Muziekgebouw, waar ze een theatraal concert geeft met een zangeres en twee strijkers. Componist Theo Loevendie heeft zojuist een stuk speciaal voor haar en het Ziggurat Ensemble geschreven, dat is opgevoerd in de Amstelkerk.
Ze gaat met het Rotterdams orkest het Concerto for tapdancer and orchestra uitvoeren, een klassiek stuk dat in 1952 werd geschreven door de Amerikaanse componist Morton Gould. En vervolgens staat ze weer in de alternatieve Zaal 100 in de Staatsliedenbuurt met een improvisatieband.
Op de vloer, voor haar hemelbed, staat haar instrument: een paar stevige zwarte leren schoenen. Met bolle neuzen, dunne veters, zakjes aan de zijkant voor de microfoon en op de zolen zijn stalen taps van het merk Capezio vastgeschroefd.

Maar het instrument is nog niet compleet. Er hoort een vloer bij.

Nie zucht. “Ja, dat is de enige reden waarom ik liever op de begane grond zou wonen. ” Op haar zolder heeft ze een vloer gebouwd, maar ze heeft ook vlonders neergelegd op het dak.
Ze strikt de veters van haar tapschoenen, grist een van haar tien sjaals uit de kast, loopt de trap op naar de zolder, en klimt via een keukentrap door het bovenluik. Het uitzicht vanaf het dak is adembenemend: van het Sarphatipark tot de Ferdinand Bolstraat, van de Albert Cuyp tot de Ceintuurbaan kun je kijken.
“Welkom in mijn studio, ” zegt Nie en ze stapt op de rottende vlonder, waarop ook een boeddhabeeld (ze heeft Indonesische roots) en twee plantenbakken staan. “Hier oefende ik vroeger altijd. Daarna ben ik verhuisd naar de zolder en oefende ik op een spaanplaatpodium. ”
Over die periode heeft ze nog een sterk verhaal.
“De balken delen we met drie huizen. Als ik tapte, ging er een grote staande golf van trillingen door de dwarsbalken. Na twee jaar ongestoord oefenen, hoorde ik ineens gegil voor mijn deur. “En nu ophouden met dat getap! ” Het was mijn buurman. Ik had twee jaar lang de borden uit zijn kast getapt. Twee jaar lang heeft hij gezwegen. ”
Nie probeerde nog met hem te onderhandelen, of ze dan misschien een uurtje per dag op een vast tijdstip mocht oefenen. Maar dat kon ze vergeten. Buurman was het zat. Hij hield voet bij stuk. “Ik laat al mijn hele leven over me heen lopen. Nu is het genoeg! ”
Nie heeft de boodschap begrepen. “Ik heb twee dikke matrassen, een laag tegels en twee lagen spaanplaat naar boven gesleept en op elkaar gestapeld. Nu kan ik tappen zonder dat het hele huis dreunt.Ik heb in ieder geval nooit meer wat van de buurman gehoord. Mijn vriend is drummer en we willen samenwonen, ik weet niet of we dat hier moeten doen. ”
Een studio vinden is geen sinecure voor een tapdanser. In oefenruimtes voor bandjes ligt altijd tapijt op de vloer. En de verhuurders van danszalen willen niet dat er krassen of gaten in hun vloer komen. ”
Als Nie begint te tappen op het dak, groeit het medeleven met de buurman. Ze produceert in haar eentje het geluid van een kudde paarden die voorbij racen, of van een muzikale timmerman, die zijn spijkers door het hout heen wil slaan. Maar dit eenmansorkest is ook een bruisende choreografie van ritmische patronen. Ze schraapt, kleppert, stampt, springt, veegt en trapt met het staal het hout aan splinters.
Nie heeft zich zelf beloofd dat ze ooit nog eens door een vloer heen wil tappen. “Dat is nog eens een wapenfeit voor een tapdanser! ”
Als de demonstratie klaar is, zegt ze: “Ik word altijd vrolijk van tappen. ” Het publiek ook.
Nie is een laatbloeier, vertelt ze als we weer beneden zijn. Ze is nu 34 jaar en op haar 21ste begon ze met tapdansen.

Ze studeerde rechten in Utrecht, en daarnaast speelde ze piano. Dat deed ze al vanaf haar vijfde. Nog steeds staat het instrument in de achterkamer. Een boek van Bach staat klaar. Toch heeft ze nooit het idee gehad dat de piano haar instrument was. Viool, trompet, accordeon en gitaar: ze heeft ze allemaal geprobeerd. In geen van alle wilde ze zich specialiseren.

De ommekeer kwam toen ze een folder van Peter Kuit vond, waarin hij taplessen aanbood. Hij omschreef tapdans als een ritmisch instrument. Dat wekte Nie’s interesse. Na vijf lessen wist ze dat ze tapdanser wilde worden.
Tien jaar heeft ze lessen bij Peter Kuit gevolgd. Ze maakte haar studie rechten af en werkte een blauwe maandag op een advocatenkantoor. Daar werd ze niet vrolijk van. “Ik zag het eindpunt van mijn carrière daar al in een lange rechte lijn voor me. Ik voelde totaal geen uitdaging. Me mijn hele leven bezig houden met de problemen van anderen, en dan vooral met hun geldproblemen... ik moest er niet aan denken. Dus waagde ik de sprong in het diepe. ”
Nie was inmiddels 26 jaar. Ze verhuisde naar Amsterdam, nam een baantje op het secretariaat van de rechtenfaculteit van de Vrije Universiteit en liep in de avonduren alle mogelijke jamsessies af.

Zoals ze zegt: “Je kunt niet bij een arbeidsbureau binnenlopen met de vraag of ze nog een baan als tapdanser voor je hebben. Je moet het hebben van een netwerk. ” Vooral aan de vaste jamsessies op dinsdag in het Bimhuis die Anton Dooyeweerdt al dertig jaar begeleidt, had ze veel. Trillend van de zenuwen deed ze haar eerste solo temidden van jazzmuzikanten in spe.

Nie: “Mijn oren sloegen dicht, heel raar. Ik hoorde niets meer van de bas en de drums. Het was alsof ik van de trap lazerde en heel hard moest hollen om niet te vallen. Ik voelde me een soort stoorzender, omdat ik de jazzstandards niet goed kende. Maar de mensen daar waren ontzettend lief. Ik heb op mijn beurt ongelooflijk veel biertjes in ze geïnvesteerd. Dat was mijn schoolgeld. ”

In Nederland is er behalve Peter Kuit geen docent die tap als instrument benadert. Nie moest, eenmaal onder vleugels van Kuit vandaan, dus het wiel uitvinden. “Ik moest pionieren. Ik moest weg van Peter Kuit, anders zou ik altijd een halfbakken kloon van hem blijven. En dat is niet mijn ambitie. ”

Nie reisde naar New York om daar te kijken naar de zogenaamde rhythm tap, een vorm waarbij het gaat om ritme en virtuositeit. Maar ze wilde het Amerikaanse tappen ook niet kopiëren. Ze wilde een Nederlandse draai aan het tappen geven. En zo kwam ze uiteindelijk uit bij de onmiskenbaar Nederlandse improvisatiescène, die groot is geworden door mensen als Willem Breuker, Han Bennink en Misha Mengelberg.

“Ik voel me thuis, ” zegt ze, “bij muziek die ik behalve voeten aan de grond een gestalte kan geven. Dat kan bij de improvisatiemuziek bij uitstek. ”
Inmiddels is Nie helemaal wakker. Ze is niet te stuiten. Ze doet de geschiedenis van de tapdance uit de doeken, van 1930 tot nu. Ze laat haar website op de computer zien. Behalve filmpjes van haar optredens is daar ook het geweldige zelfontworpen spel Webtap op geïnstalleerd: te zien zijn zes tapdansers, die met een klik op de muis naar de voorgrond komen en elk een eigen ritme tappen. Je kunt ze door elkaar laten klinken en een voor een weer naar de achtergrond laten verdwijnen. Heerlijk spel, waarmee eindeloze variaties in ritme zijn te maken.
En tot slot geeft Nie ook nog een klein lesje tapdance. “Altijd vanuit de dijen schoppen en de rest van het been ontspannen houden. Let op de frasering. En pas als je met volume gaat werken, gaat het leven voor mij. Dan moet je nog gevoel voor groove ontwikkelen, en je spieren sterk houden, zodat je je gewrichten in vorm kan houden. ”

Er komt heel wat bij kijken
, zoveel is duidelijk. Een motto geeft ze op de valreep ook nog mee: “Als tapdanser sta je op de grond. En je komt er ook altijd weer op terug. ” Geen speld tussen te krijgen.


foto © 2006 Elmer van der Marel